Kwaliteitscontrole en onderhoud spirometers

Geplaatst op: 2 april

Omdat we tijdens onze praktijkbezoeken merken dat regelmatig onduidelijkheden bestaan over het onderhoud van de spirometers hebben we het onderhoud van verschillende spirometers voor je op een rijtje gezet.

Kwaliteitscontrole van spirometrie-apparatuur is noodzakelijk om foute metingen te voorkomen of in ieder geval tot een minimum te beperken. De richtlijn is om dagelijks voor gebruik je spirometer te controleren (ERS/ATS 2005; GPIAG Primary Care Respiratory Journal (2009);18(3):130-147).

In de praktijken komen we twee soorten spirometers tegen, de turbine meter (Carefusion) en de pneumotachograaf (Welch Allyn). De spirometers werken op een andere manier en behoeven verschillend onderhoud.

WelchAllyn

Bij spirometers van Welch Allyn wordt standaard een 3L ijkspuit meegeleverd en het advies is hiermee dagelijks te ijken en de omgevingsvariabelen te corrigeren (temperatuur, luchtvochtigheid, barometerstand). Het is dus noodzakelijk dat er een meter (weerstation) aanwezig is in de ruimte waar ook het onderzoek plaatsvindt.

Waarom dagelijks ijken? Lucht is een gas afhankelijk van vochtigheid, luchtdruk en temperatuur en die kunnen dagelijks wisselen.

LET OP! Bij het openen van een nieuwe doos mondstukken (‘flowtransducers') moeten eerst de lotcode en kalibratiecode die op de doos staan worden ingegeven en daarna moet de spirometer worden gekalibreerd met de 3L spuit.

CareFusion

Spirometers van Carefusion (voorheen MicroMedical) worden standaard geleverd zonder 3L ijkspuit, maar dienen toch gecontroleerd te worden. Dit kun je doen door middel van een wekelijkse ‘biologische controle' of je kunt een 3L ijkspuit aanschaffen. Maar hoe bepaal je het normale bereik voor een biologische controle?

  • Kies twee gezonde proefpersonen (niet-rokers, geen longproblemen en een stabiele longfunctie), bijvoorbeeld een POH, assistente en huisarts (bij één persoon ben je erg kwetsbaar wat continuïteit betreft);
  • Meet gedurende 10 achtereenvolgende dagen afzonderlijk de FVC en FEV1 op ongeveer hetzelfde tijdsstip van de dag. Zowel het volume als de luchtsnelheid/flow moet worden gecontroleerd;
  • Voer 1 correcte flowvolume manoeuvre uit en vermeldt de waarden van FEV1 en FVC in de tabel. Kijk of de curve acceptabel is.
  • Bereken het gemiddelde van de parameters. Tel daarbij alle FEV1-metingen bij elkaar op en deel door 10 (= gemiddelde waarde van 10 dagen). Doe hetzelfde voor de FVC. De grootste waarde mag niet meer dan 5% verschillen van de laagste waarde. Is dit wel het geval dan heb je een andere proefpersoon nodig of is er een probleem met je spirometer.
  • Bereken vervolgens de marge van 5% van de FEV1 en van de FVC (bijvoorbeeld FEV1 = 3.0 liter, dan is de marge 5%: een getal tussen de 2,93 liter en 3,08 liter is acceptabel). 
  • Het voordeel van een biologische controle is dat hierbij ook de flow wordt gecontroleerd. Dat gebeurt niet met een ijkspuit. Controle met een 3L ijkspuit dient minimaal één maal per zes maanden te geschieden, mits de biologische ijk stabiel is. Een afwijking tot 3% voor de (F)VC is acceptabel. De 3L ijkspuit heeft de voorkeur, omdat deze meer in het volumegebied van de patiënten in de huisartspraktijk zit dan de 1L spuit. Kalibratie, het opnieuw instellen van het nulpunt, kan met de turbine spirometers niet goed door de gebruiker zelf worden gedaan. Hier is alleen aanleiding voor bij afwijkingen bij de ijking. De turbine spirometers blijken in de praktijk gelukkig zeer stabiel. Onderhoud bij de leverancier, mits ijking normaal, kan op pragmatische gronden worden gedaan na de eerste twee jaar en daarna bijvoorbeeld jaarlijks.
  • Je hebt nu het bereik waartussen alle toekomstige metingen van deze persoon op deze spirometer moeten vallen. Het is aan te bevelen om daarna minimaal wekelijks een FEV1 en FVC te bepalen en deze bij te houden in een logboek. Als de metingen buiten het berekende bereik vallen is contact opnemen met de firma van de spirometer noodzakelijk.
Voorbeeld van een biologische controle (staat ook in de CASPIR-map)
Voorbeeld van een biologische controle (staat ook in de CASPIR-map)

Reinigen turbinemeter noodzakelijk
Om verspreiding van bacteriën en verstopping van de turbine te voorkomen raden wij je aan de turbine van uw spirometer regelmatig (1x per week bij normaal gebruik evenals na het gebruik bij verdenking van een besmettelijke patiënt) te reinigen.

Voor het reinigen dien je de turbine uit het apparaat te halen. Bij handspirometers kun je de turbine verwijderen door deze uit het apparaat te trekken. De spirometers met grijs mondstuk kunt u een kwartslag naar links draaien waarna deze uitgenomen kan worden.

LET OP! De turbine mag nooit met alcohol of chloorhoudende middelen gereinigd worden. Dit veroorzaakt onherstelbare schade! Gebruik voor het reinigen/desinfecteren alleen Perasafe. Perasafe is een poeder waarmee desinfecterende vloeistof aangemaakt kan worden. Eén potje poeder is genoeg voor 5 liter werkzame vloeistof. Reinigen met behulp van Perasafe:

  • Maak de desinfecterende vloeistof aan door de juiste hoeveelheid perasafe toe te voegen aan handwarm water. Eenmaal aangemaakte vloeistof is 24 uur werkzaam.
  • Plaats de turbine gedurende 10 minuten (niet langer!) in de vloeistof voor volledige desinfectie.
  • Reinig de turbine na met (gedestilleerd) water. NOOIT de turbine rechtstreeks onder de krachtige straal van de kraan houden.
  • Laat de turbine drogen aan de lucht.

Als er consequent bacteriefilters worden gebruikt hoeft de turbine volgens de fabrikant niet te worden gereinigd. (PT-Medical, zie http://www.pt-medical.nl/service/veel-gestelde-vragen.html

Bijhouden van een logboek

De resultaten van storingen, onderhoud, ijkcontroles en kalibraties worden - met datumvermelding - vastgelegd in een logboek. Indien, naar aanleiding van concrete metingen bij patiënten, twijfels rijzen over de betrouwbaarheid van de meter wordt dit eveneens in het logboek genoteerd. Zo is achteraf altijd te reconstrueren in welke periode sprake geweest kan zijn van onbetrouwbare testuitslagen. Een tip is om een controlepatiënt  aan te maken. Het apparaat slaat dan zelf deze gegevens op onder “controlepatiënt”.