Diagnose

Je vermoedt een luchtwegaandoening bij je patiënt, waarna je de patiënt naar de praktijkondersteuner of -verpleegkundige verwijst voor de verdere diagnostiek. Het doel van deze fase is het stellen van de diagnose astma of COPD. Op grond van een gestructureerde anamnese en longfunctieonderzoek. Je verricht de volgende taken:

  • Gestructureerde anamnese
    • je neemt de ziektegerelateerde vragenlijsten af, zoals MRC en CCQ
    • je bepaalt de BMI
    • je bepaalt de mate van beweging
    • je inventariseert de relatie tussen werk en ziekte
    • je onderzoekt of er sprake is van comorbiditeit
  • Longfunctieonderzoek: spirometrie met reversibiliteitstest
  • Bij een astma-vermoeden laat je een allergietest afnemen

Op basis van de uitkomsten van de anamnese en de onderzoeken stel je de diagnose en bepaal je de ziektelast. De patiënt komt vervolgens op een scharnierconsult. Tijdens dit consult bespreek je de diagnose, de implicaties daarvan en leg je uit hoe jullie de patiënt gaan begeleiden. 


1. Anamnese

Voor het afnemen van de anamnese gebruik je de COPD/Astma vragenlijst (zie: intake onder downloads). Voorafgaand aan het consult, vult de patiënt thuis de CCQ vragenlijst in. Tijdens het consult bepaal je de mate van kortademigheid met behulp van de MRC. Ook bespreek je de mate van beweging, de arbeidssituatie, ongewenst gewichtsverlies, BMI, de sociale situatie en psychosociale factoren zoals angst en depressie.

2. Spirometrie met reversibiliteitstest

Hoe je een spirometrie uitvoert staat helder beschreven in het protocol dat je hieronder kunt downloaden. Voor het stellen van de diagnose neem je altijd een reversibiliteitstest af. Bij de beoordeling van de spirometrie vul je het beoordelingsformulier in en beantwoord je de volgende vragen systematisch:

  • Zie je aanwijzingen voor een restrictieve aandoening?
  • Is er sprake van obstructie voor of na bronchodilatatie?
  • Hoe ernstig is de obstructie?
  • Is er sprake van reversibiliteit? 

3. Allergietest

Je laat een allergieonderzoek uitvoeren wanneer er duidelijke aanwijzingen zijn dat de klachten ontstaan door allergische prikkels. Zie het protocol allergieonderzoek voor meer informatie. 

 

Diagnose en ziektelast bepalen

Je kunt de diagnose COPD stellen wanneer aan de volgende criteria is voldaan:

  • De patiënt is ouder dan 40 jaar en heeft last van dyspnoe en/of chronisch hoesten 
  • Patiënt heeft een relevante rookgeschiedenis
  • De patiënt heeft een FEV1/FVC-ratio na bronchusverwijding lager dan 1,64 (z-score)
  • FEV1-toename na bronchusverwijding is kleiner dan 12%
  • FEV1 is lager dan 50% van voorspeld

Let op:

  • Bij een discrepantie tussen de klachten en de longfunctieafwijkingen is een X-Thorax aanbevolen
  • Wanneer je hartfalen vermoedt, voer je verdere diagnostiek uit
  • Bij personen ouder dan 60 kan een FEV1/FVC-ratio lager dan 0.7 fysiologisch zijn. Je herhaalt de spirometrie na 3 tot 6 weken. Ook herhaal je de spirometrie wanneer je twijfelt tussen astma en COPD.

Je kunt de diagnose COPD en astma stellen wanneer:

  • De patiënt last heeft van dyspnoe en/of hoesten (met of zonder slijm opgeven)
  • Bij uitkomst van de eerste en herhaalde spirometrie:
    • Een FEV1/FVC-ratio na bronchusverwijding lager dan 0,7%
    • Een FEV1 toename na bronchusverwijding groter dan 12%

Ziektelast

Na het stellen van de diagnose COPD, bepaal je de ernst van de ziektelast: licht, matig of ernstig. De scores van de MRC en CCQ bepalen de ernst van de COPD. Samen met de uitkomst van het longfunctieonderzoek en gegevens over de voedingstoestand van de patiënt.

Scharnierconsult

In het scharnierconsult, dat binnen 2 weken na de spirometrie plaatsvindt, bespreek je de begeleiding van de nieuwe COPD-patiënt. Je bespreekt onder meer de diagnose, hoe de patiënt en de zorgverleners samenwerken en welke zorg nodig is. De rol van de patiënt (zelfzorg) komt hierin ook naar voren. 

De aandachtspunten zijn:

  1. Diagnose: patiënt heeft kennis van de diagnose in welk GOLD-stadium en kan een inschatting maken van de ernst en beloop van COPD
  2. Leefstijl: wat kan de patiënt zelf veranderen? Stoppen met roken, voldoende bewegen, gezonde voeding en zelfmanagement
  3. Zorgteam: uitleg over de rol van de huisarts en POH en eventueel de fysiotherapeut en diëtist
  4. De patiënt is op de hoogte van de doelen en de inhoud van het zorgprogramma COPD
  5. Aanvullende diagnostiek wanneer dit nodig blijkt
  6. Vervolgafspraak maken bij de POH 

Terug