Diagnose

De diagnose wordt gesteld door de huisarts en berust op het aantreffen van verhoogde bloedglucosewaarden. Alleen waarden die door het laboratorium zijn bepaald, in veneus plasma worden gebruikt voor de diagnosestelling.

Je kunt de diagnose stellen wanneer op 2 verschillende dagen (interval maximaal twee weken) een nuchtere bloedglucose van 7,0 mmol/l of hoger is gemeten zonder klachten, of bij één nuchtere bloedglucose van 7,0 mmol/l of hoger of één willekeurige bloedglucose boven de 11,0 mmol/l met typische klachten, zoals dorst en veel plassen (zie ook de tabel). Na het stellen van de diagnose start de ketenzorg en vindt behandeling en bekostiging plaats vanuit de DBC.

Bloedglucosemeters

Inmiddels geven in Nederland alle bloedglucosemeters de glucosewaarden weer als plasmawaarden (ze zijn ‘veneus gekalibreerd’), wat betekent dat je de referentiewaarden van het laboratorium kunt aanhouden. Draagbare meters kunnen echter, zelfs als ze juist worden gebruikt, een meetfout hebben van 10-15%. Ze kunnen niet worden geijkt (bijgesteld), maar dienen wel in elk geval jaarlijks te worden gecontroleerd. Patiënten kunnen voor afname van veneus bloed voor de jaarcontrole de capillaire bloedglucose via een vingerprik meten met hun eigen meter: is het verschil tussen beide bepalingen groter dan 15%, dan is een nieuwe meter nodig. Praktijkmeters worden bij voorkeur jaarlijks gecontroleerd tijdens het technisch onderhoud van de medische apparatuur, en zo nodig vervangen.

In de praktijk is er sprake van een normale bloedglucose als er zonder klachten, een nuchtere capillair bepaalde bloedglucose van 5,1 mmol/l of lager wordt gevonden (zie tabel). Bij 2 metingen op 2 verschillende dagen van 6,0 mmol/l of hoger (zeker als één daarvan boven de 7,0 mmol/l is) kan er sprake zijn van DM type 2 en dien je alsnog een laboratoriumbepaling te verrichten.

2 nuchtere bloedglucosewaarden in het laboratorium van 7,0 mmol/l of hoger bevestigen de diagnose. Bij een sterk verhoogde capillaire bloedglucose, zeker met typische klachten, is bevestiging met één veneuze meting voldoende voor de diagnose. Zie de bijlagen voor een voorbeeldprotocol bloedglucose meten.

HbA1c

In Nederland wordt bepaling van het HbA1c niet aanbevolen voor opsporing en diagnostiek van diabetes. Het HbA1c hoeft niet nuchter  te worden bepaald en is representatief voor de voorafgaande 10 weken. Maar bepaling van het HbA1c is duurder en er worden minder diabetespatiënten opgespoord dan met de nuchtere bloedglucose. Bovendien wordt de bepaling beïnvloed door aandoeningen van het hemoglobine.

Het HbA1c is geen geschikte maat bij acute hyperglykemie of snel progressieve diabetes, zoals bij diabetes door corticosteroïden, DM type 1 en zwangerschapsdiabetes. Het is wel de belangrijkste maat voor het vaststellen of de patiënt goed is ingesteld. Op individueel patiëntniveau is het een goede voorspeller voor complicaties. 

Aandachtspunten

1. Nieuwe patiënt met diabetes ouder dan 40 jaar met een BMI lager dan 25 kan passen bij latent autoimmune diabetes in adults (LADA, soort DM type 1 op oudere leeftijd). Deze vorm kan initieel worden behandeld volgens het zorgprogramma, maar zal binnen drie jaar uitkomen op insuline. Dieet en SU-derivaten helpen niet. Indien insuline nodig binnen twee jaar na de diagnose: verwijs naar de internist.

Bij nieuwe patiënten met diabetes jonger dan 25 jaar met een BMI onder de 25 kan er sprake zijn van DM type 1 of maturity-onset diabetes of the young (MODY, erfelijke autoimmuun-DM type 2 op jonge leeftijd). Overleg met de internist over mogelijke diagnostiek en behandeling.

Zwangerschapsdiabetes stel je vast met een glucosetolerantietest, meestal via de verloskundige. Vrouwen met zwangerschapsdiabetes verwijs je naar de internist.

2. Gestoord nuchtere glucose en gestoorde glucosetolerantie

Bij een gestoord nuchtere glucose of gestoorde glucosetolerantie (bij een eerste meting, of bij een tweede meting volgend op een eerste meting die wel boven de grenswaarde voor DM type 2 uitkwam) meet je na drie maanden opnieuw de bloedglucose.

Als je ook dan de diagnose DM type 2 niet kunt stellen, krijgt de patiënt de ICPC-code A91.05 (Gestoorde glucosetolerantie) en volgt hij of zij jaarlijks buiten dit zorgprogramma de controle van de bloedglucose en cardiovasculair risicomanagement. Deze groep heeft namelijk een groter risico op hart- en vaatziekten dan bij normale bloedglucosewaarden. Leefstijlverbetering kan de diagnose DM type 2 uitstellen of zelfs voorkomen. 

3. Screening retinopathie

De huisarts zorgt ervoor dat de patiënt zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen drie maanden nadat diabetes mellitus is ontdekt, wordt gescreend op diabetische retinopathie. 

Zie ook:

NHG-richtlijn diagnostiek

Terug